Het weer
(Frío, calor, lluvia...)

Als het over het weer gaat, gebruiken we in het Spaans heel vaak het werkoord ‘’hacer’’ (doen/maken)

Qué tiempo hace? Of como está el tiempo?


Hace buen tiempo (Het is mooi weer). Ofwel ‘’está lindo’’

Hace mal tiempo (Het is slecht weer). Ofwel ‘’está feo’’

Hace/hay sol (De zon schijnt). Je kan ook zeggen ‘’está soleado’’ (het is zonnig)

Hace calor (Het is warm)

Hace frío (Het is koud)

Hace/hay viento (Het waait)

Hace 30 grados (het is 30 graden) 


Maar niet alles…

Hay niebla – Het is mistig.

Está nublado – Het is bewolkt. 

Llueve – Het regent.

Nieva – Het sneeuwt.

Llovizna – Het motregent

Hay tormenta – het stormt

Hay relámpagos – Het bliksemt 


Andere nuttige woorden zijn:

La temperatura (de temperatuur)

La humedad (de vochtigheid)

El pronóstico (het weerbericht)

El clima (het klimaat)