Regelmatige werkwoorden (Ik reis, jij, reist...)

Regelmatige werkwoorden vervoegingen


 

HABL-AR

(praten)

APREND-ER

(leren)

VIV-IR

(wonen/leven)

Yo

Habl-o

Aprend-o

Viv-o

Habl-as

Aprend-es

Viv-es

Él/ella/usted

Habl-a

Aprend-e

Viv-e

Nosotros/as

Habl-amos

Aprend-emos

Viv-imos

Vosotros/as

Habl-áis

Aprend-éis

Viv-ís

Ellos/as/ustedes

Habl-an

Aprend-en

Viv-en

 

Voor ontkenning (nee, niet, geen) in het Spaans moet je altijd ”NO” voor het werkwoord gebruiken:

Yo bebo: Ik drink
Yo no bebo: Ik drink niet

Niet zo moeileijk no!?

Veel voorkomende regelmatige werkwoorden

Abrir (Openen)

Alquilar (Huren/verhuren)

Ayudar (Helpen)

Aprender (Leren)

Bajar (Naar beneden gaan/uitstappen)

Beber (Drinken)

Buscar (Zoeken)

Cambiar (Veranderen/ruilen/wisselen)

Caminar (Lopen)

Cenar (Dineren)

Cocinar (Koken)

Coger (Pakken/nemen) (Spanje)

Comer (Eten)

Comprar (Kopen)

Comprender (Begrijpen)

Correr (Rennen)

Deber (Moeten/geld verschuldigd zijn)

Decidir (Beslissen)

Desayunar (Ontbijten)

Escribir (Schrijven)

Escuchar (Luisteren)

Esperar (Wachten/hopen)

Estudiar (Studeren)

Ganar (Winnen/verdienen)

Gritar (Schreeuwen)

Hablar (Praten/spreken)

Invitar (Uitnodigen)

Lavar (Wassen)

Leer (lezen) 

Limpiar Lezen (schoon maken)

Llamar (bellen/roepen)

Llevar (nemen/meenemen)

Mirar (kijken)

Necesitar (nodig hebben)

Pagar (betalen)

Parar (stoppen)

Partir (vertrekken)

Pasar (passen/gebeuren/langskomen)

Permitir (Toelaten/toestaan)

Preparar (voorbereiden)

Preguntar (vragen stellen)

Prometer (beloven)

Responder (antwoorden)

Recibir (ontvangen)

Romper (breken)

Subir (Omhoog gaan/instappen)

Tomar (nemen/drinken)

Trabajar (werken)

Usar (gebruiken)

Vender (verkopen)

Viajar (reizen)

Visitar (bezoeken)

Vivir (wonen/leven)