Spaans voor gevorderden

Subjuntivo (deel II)

divisor

Subjuntivo met emoties en gevoelens

Odiar (haten) 

Odio que la gente llegue tarde.

Molestar (vervelend vinden)

Me molesta que llueva todos los días.

Alegrar (verheugen) 

Me alegro de que estés aquí.

Asustar (bang maken) 

Me asusta que no podamos controlar el calentamiento global.

Preocupar (zorgen maken) 

Me preocupa que pienses eso de mi.

Subjuntivo met: Cuando/en cuanto/hasta que

Met Cuando (als/wanneer), en cuanto (zodra) en hasta que (totdat) wordt de subjuntivo gebruikt alleen als de gebeurtenis in de toekomst ligt.

  • Siempre, por la tarde, cuando tengo hambre como (gebaseerd op ervaring. Geen onzekerheid)
  • Más tarde, cuando tenga hambre como (later, in de toekomst = minder zekerheid) 

Subjuntivo met: Aunque (hoewel)

Aunque wordt samen met de subjuntivo gebruikt voor 2 specifieke situaties:

  1. Om te zeggen dat iets waar maar onbelangrijk is: “Eres holandés aunque tengas un pasaporte español” 
  2. Om te communiceren dat een situatie hypothetisch is: “No lo voy a hacer aunque me lo pida” (in de hypothetische situatie dat zij/hij me het vraagt is ga het niet doen) 

≠ “No lo voy a hacer aunque me lo pide” (zij/hij vraagt het wel, maar ik ga het niet doen). 

Tip: Als je de aunque met “sin embargo” (echter) kan ruilen, dan gebruikt de zin geen subjuntivo.

Let op!

Met “Si” (als/if in het Engels) mag je geen subjuntivo gebruiken. 

 

“Si mañana tienes tiempo nos vemos”

 “Si puedes lo hacemos”

“para que” (zodat) gebruik je altijd met de subjuntivo

“Yo trabajo para que tu puedas estudiar”

Subjuntivo met meningen/verklaringen werkwoorden

Bij meningen en verklaringen, als ze affirmatief zijn, gebruik je de indicativo

En als ze negatief zijn, gebruik je de subjuntivo. (Alleen met het hoofd werkwoord!)

Es seguro (het is zeker) 

Es seguro que ella viene./ No es seguro que ella venga

(Maar: Es seguro que ella no viene)

Está claro (het is duidelijk) 

Está claro que ellos lo saben./ No está claro que ellos lo sepan

Yo creo (ik geloof) 

Yo creo que es verdad./ No creo que sea verdad.

Yo pienso (ik denk) 

Yo pienso que podemos./ No pienso que podamos.

Yo digo (ik zeg) 

Yo digo que es muy raro./ No digo que sea raro.

Extra oefeningen

Niet genoeg gehad met de toets? Blijf oefenen met deze (externe) oefeningen: