Voorzetsels (A, en, de...)

A: Dit voorzetsel geeft een bestemming aan. (vamos A la playa/we gaan NAAR de strand).


De: Dit voorzetsel kan als VAN en UIT (oorsprong/herkomst/eigendom) vertaald woorden (el auto es DE Juan. Juan viene DE Espana)

We gebruiken DE ook om te verwijzen naar inhoud (un vaso DE agua, una bolsa DE cemento).


En: geeft locatie aan (in, op, aan). Estoy EN Paris, La comida está EN la mesa, Estudio EN la universidad.

We gebruiken EN ook voor maanden en seizoenen (EN Enero, EN verano).